Er kan vrijstelling worden gevraagd van het bestemmingsplan als er activiteiten zijn die in strijd zijn met of afwijken van het bestemmingsplan dat voor bepaalde gebieden geldt. Het college van burgemeester en wethouders kunnen deze vrijstelling verlenen.
De Wet Ruimtelijke Ordening (Wro) biedt hiervoor de volgende mogelijkheden:
Binnenplanse vrijstellingen (artikel 15 Wro) Een binnenplanse vrijstelling kan worden verleend wanneer in het bestemmingsplan zelf is opgenomen waarvoor, op welke manier en tot welke grenzen de gemeente vrijstelling kan verlenen van bepalingen in dat bestemmingsplan. Bijvoorbeeld een bestemmingsplan vermeldt dat u een garage van maximaal 3 meter hoog mag bouwen. De goot van het huis van uw buren is echter 3,10 meter en het is mooier en technisch gezien makkelijker als u de garage even hoog maakt. Met een 'binnenplanse vrijstelling' kan de gemeente toestaan dat u de garage 10 centimeter hoger mag bouwen.
Vrijstelling (artikel 19 Wro) De gemeente kan vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan. Dit kan voor een tuinhuisje zijn, maar ook voor een hele woonwijk. Bijvoorbeeld een projectontwikkelaar wil op de plek van een voormalig zwembad woningen bouwen. Volgens het geldende bestemmingsplan heeft het betreffende stuk grond echter de bestemming 'sport'. Daarom is het bouwplan in strijd met het bestemmingsplan. Om de woningbouw toch mogelijk te maken kan de gemeente vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan met een artikel 19 procedure van de Wro. De betrokkenen hoeven dan niet de gehele procedure van het wijzigen van het bestemmingsplan te doorlopen. De volgende vrijstellingen kunnen worden verleend: artikel 19 lid 1 Wro vrijstelling, een artikel 19 lid 2 Wro vrijstelling en een artikel 19 lid 3 Wro vrijstelling. In alle gevallen geldt dat er een procedure gevoerd dient te worden en dat derden in de gelegenheid worden gesteld het voornemen in te zien en mogelijke zienswijzen kenbaar te maken.