Gemeenten hebben Veilig Thuis-taak onderschat

De gemeentebesturen in de regio Gelderland-Zuid hebben onderschat wat er moest gebeuren bij de GGD om de nieuwe taak van Veilig Thuis goed te kunnen uitvoeren. Dat geldt zowel voor de voorbereidende fase als toen de eerste problemen bij Veilig Thuis zichtbaar werden. Dat is de hoofdconclusie uit het onderzoek van de rekenkamer(commissie)s van de gemeenten Berg en Dal, Beuningen, Heumen, Nijmegen, West Maas en Waal en Wijchen naar de inrichting en het bestuur van het advies- en meldpunt voor huiselijk geweld en kindermishandeling.

De rekenkamer(commissie)s deden aan de hand van de casus Veilig Thuis onderzoek hoe gemeenteraden hun kaderstellende en controlerende rol beter zouden kunnen invullen bij bestuurlijke samenwerking tussen gemeenten. Aanleiding voor het gezamenlijke onderzoek was het onder verscherpt toezicht plaatsen van Veilig Thuis Gelderland-Zuid in 2016 door de inspecties, omdat – zo bleek naar aanleiding van een anonieme melding - Veilig Thuis een vertekend beeld had gegeven van de wachtlijsten.Met name door de manier waarop de besluitvorming met betrekking tot Veilig Thuis is ingericht en de summiere informatievoorziening in de opstart van Veilig Thuis richting gemeenteraden, blijken de raden nauwelijks invloed te hebben op de organisatie en werkwijze van deze hulpverlening voor kinderen en kwetsbare volwassenen en ouderen.

Uit het onderzoek wordt duidelijk dat het vrijwel direct na de start van Veilig Thuis op 1 januari 2015, onder de vlag van de GGD, niet loopt zoals voorzien. Vanaf het begin is sprake van (toenemende) wachtlijsten en werkdruk, maar het duurt tot juni 2015 voordat die problemen op tafel komen. Als de problemen hardnekkiger blijken dan gedacht komen er verbeterplannen, maar een analyse van de oorzaken vindt niet plaats en er wordt niet goed gekeken of de beschikbare middelen voldoende zijn om de taken te kunnen uitvoeren. Ook wordt niet bijgehouden of de verbeterplannen wel werken.

Gemeenteraden worden steeds laat geïnformeerd over ontstane problemen bij Veilig Thuis. Bovendien ontbreekt het in de informatie die ze krijgen aan een heldere probleemanalyse en duidelijke keuzeopties. Daardoor is het voor de raden moeilijk om bij te sturen, anders dan steeds in te stemmen met de voorgestelde (forse) begrotingswijzigingen. De conclusie is dat de besluitvorming aangaande Veilig Thuis onvoldoende is voorbereid en onderbouwd. Dat geldt voor zowel de voorbereidingsfase als de uitvoeringsfase.

Uit het onderzoek blijkt ook dat de gemeenteraden in de regio Gelderland-Zuid in de voorfase al op achterstand staan. Ze blijken niet of nauwelijks betrokken te zijn geweest bij het besluit (najaar 2014) om Veilig Thuis onder te brengen bij de GGD GZ. Ook het DB en AB van de GGD hebben daarin amper een rol gespeeld. Die besluitvorming verliep via de lijn van het zogeheten Portefeuillehouders Overleg (PFO) – een gremium van de wethouders zorg zonder formele beslisbevoegdheden – en vervolgens de colleges van B&W. Mede daardoor is op het moment van besluitvorming door de colleges niet bekend of de GGD daadwerkelijk in staat was om de Veilig Thuis-taken uit te kunnen voeren. Onduidelijk is dan ook welke risico’s de GGD loopt bij de uitvoering van de taak.

Dat de raden zelf ook niet of nauwelijks navraag hebben gedaan naar de stand van zaken bij Veilig Thuis, kan deels worden verklaard door het feit dat er vooraf geen duidelijke afspraken zijn gemaakt over de te realiseren doelen, en over de wijze waarop en hoe vaak de raden over de resultaten zullen worden geïnformeerd. Daarmee hebben de raden geen kader voor hun controle en dus ook geen ‘noodrem’.

De rekenkamer(commissie)s bevelen aan om de sturing en controle van de gemeenteraden op gemeenschappelijke regelingen te vergroten. Om de kaderstellende rol van de raad te versterken, is het nodig zaken vooraf duidelijk te regelen en de raad beter in staat te stellen dit proces te volgen en te controleren. De raad moet verder meer zeggenschap krijgen bij het opstellen van het vierjaarlijkse beleidsplan van de GGD en, anders dan nu, elk jaar bij de begroting specifieke wensen kunnen aangeven. De rekenkamer(commissie)s adviseren de raden bovendien in regionaal verband meer samen op te trekken. Dat zou bijvoorbeeld kunnen door een intergemeentelijke werkgroep bestuurlijke samenwerking in te stellen. Te overwegen valt eveneens als gemeenteraad te gaan werken met een systeem van raadsrapporteurs. Daarbij nemen één of meer raadsleden – liefst regionaal ingevuld – de taak op zich namens de hele raad een samenwerkingsverband te volgen.

Op 28 mei 2018 hebben de de rekenkamer(commissie)s het onderzoek gepresenteerd aan de gemeenteraden in de regio Gelderland-Zuid.

Heeft u gevonden wat u zocht?